Toen Mohammed in het jaar 610 in een grot in de buurt van Mekka een tijd doorbracht
in een eenzame meditatie, zei hij dat hij was bezocht door de engel Gabriël, die
hem in een visioen de eerste boodschap van de islam had gegeven.
1 - MOHAMMED
Mohammed werd geboren in het jaar 570 in een zeer respectabele familie van
de gerespecteerde stam van de Qoraysh. Zijn vader stierf voor zijn geboorte en
zijn moeder stierf toen hij zes jaar oud was. Toen hij acht jaar was, stierf ook
zijn grootvader Abdel Muttalib, hem achterlatend onder de hoede van zijn oom,
Abu Talib.
Als jonge man, was Mohammed blootgesteld aan de verschillende sektes van het
Christendom en het Jodendom. Hij zag dat zij constant aan het ruziën en debatteren
waren met elkaar. Dit heeft misschien zijn onvrede over de traditionele polytheïstische
religie van de Arabieren in die tijd veroorzaakt. Later refereerde Mohammed aan
de Christenen en Joden als "mensen van het boek" (refererende aan de
Bijbel).
Op de leeftijd van 25 begon Mohammed te werken voor de rijke weduwe Khadija,
die later met hem trouwde. Ze was 15 jaar ouder dan hij. Toen werd hij een succesvol
koopman.
Op de leeftijd van 40 bracht Mohammed veel tijd door met mediteren en verkondigde
hij dat hij was verkoren door God om het ware geloof te prediken.
Spoedig daarna werd Mohammed lastig gevallen en vervolgd door de stamhoofden die
het nieuwe geloof als een gevaar zagen voor de voornaamste bron van inkomsten
van de stad. Zij vreesden dat het de winstgevende pelgrimstochten naar het heidense
heiligdom van de Kaaba zou elimineren
In het jaar 622, na een poging van zijn tegenstanders om hem te vermoorden, vluchtte
Mohammed met zijn volgelingen naar Yathrib (het latere Medina) in een volksverhuizing
bekend als de Hijira.
In Medina, groeiden Mohammeds volgelingen in kracht en aantal. Van daaruit
begon hij een serie aanvallen op de stad Mekka. Uiteindelijk onderwierp hij de
stad en verwierf de macht over heel Arabië.
Mohammed stierf in het jaar 632.
2 - ISLAM
Het Arabische woord "Islam" betekent "onderwerping" (aan
God). De Islam claimt dat het geen nieuwe religie is, maar veeleer een voortzetting
en het bereiken van een hoogtepunt van Gods openbaringen aan Noach, Abraham, Mozes
en Jezus.
Om een Moslim te worden, moet men het geloof in de Islam accepteren zowel als
belijden, hetgeen algemeen bekend is als de twee belijdenissen van het geloof.
Deze zijn: "er is geen andere God dan Allah, en Mohammed is de boodschapper
van Allah".
Een Moslim moet geloven in zes geloofsartikelen: God, de Engelen, de Schriften,
de Profeten, de Dag des Oordeels en het Fatalisme.
Een Moslim moet vijf religieuze plichten uitvoeren die bekend zijn als "De
pilaren van de Islam", deze zijn: de Belijdenissen, Gebed, het geven van
Aalmoezen, Vasten en de Pelgrims-tochten naar Mekka. Sommigen hebben het bekrachtigen
van de Koran en de Heilige Oorlog (Jihad) om de Islam te verspreiden, verheven
tot de zesde religieuze plicht.
Het is interessant om op te merken dat veel van de praktijken en de rituelen
van de Islam waren geleend van de pre-Islamitische heidense Arabieren. Dit is
de periode waaraan de Moslims refereren als "Al-Jahilyya", het tijdperk
van de Onwetendheid.
Sommige van deze rituelen zijn: Het prijzen van de Kaaba en de Zwarte Steen, pelgrimstocht
naar Mekka, het vasten in de Ramadan, toewijden op vrijdag voor het verenigen
van de eredienst en het overnemen van de naam "Allah" in plaats van
God.
3 - JIHAD (HEILIGE OORLOG)
"Jihad" is een Arabisch woord dat "worsteling" betekent.
Jihad kan betekenen: het streven om een betere moslim te worden. De meest algemene
betekenis is de strijd voor de zaak van het verspreiden van de Islam, daarbij
alle middelen gebruikend die Moslims hebben, inclusief geweld. Dit soort Jihad
wordt vaak aangeduid als "Heilige Oorlog".
Om hun toevlucht te nemen tot geweld, hebben Moslims geen probleem om passages
in de Koran en Hadith te vinden, die niet alleen geweld goedkeuren met het ook
bevelen.
In de Koran beveelt Allah Moslims niet-moslims namens hem te terroriseren:
"Zaai verschrikking (in de harten van) de vijanden van Allah
en uw vijanden." Surah 8:60 ( Soerat al-anfaal:60 ).
"Strijdt tegen (doodt ze) (de niet-moslims) en Allah zal ze straffen
(folteren) door middel van uw handen en zal ze met schaamte bedekken."
Surah 9:14 ( Soerat at-tauba:14 ).
"Ik zal paniek zaaien in de harten van de ongelovigen, jullie moeten
hen boven hun nekken treffen en al hun vingertoppen afhakken. Het zijn niet
jullie die ze afgeslacht hebben; het was Allah." Surah 8:12,17
( Soerat al-anfaal:12,17 ).
"O, jullie die geloven! Vecht tegen de ongelovigen… laat
ze vastberadenheid in jullie vinden en weten dat Allah is met degenen die
hem vrezen." Surah 9:123 ( Soerat at-tauba:123 ).
In de Hadith (de gezegden van Mohammed), dringt Mo-hammed er ook bij Moslims
op aan om Jihad te beoefenen.
Een keer werd aan Mohammed gevraagd: wat is de beste daad voor een Moslim behalve
het geloven in Allah en zijn Apostel? Zijn antwoord was: "Deelnemen aan
de Jihad in de naam van Allah". Al-Bukhari vol 1:25 Er werd ook geciteerd
dat Mohammed zei: "Ik heb opdracht gekregen om te vechten met de
mensen totdat ze zeggen, niemand heeft het recht om aanbeden te worden behalve
Allah". Al-Bukhari vol 4:196
Het is de moeite waard om op te merken dat de woorden "vechten" en
"doden" in de Koran vaker gebruikt worden dan het woord "bidden".
De Islam leert dat mensen verdeeld worden in twee verschillende kampen: Dar
al Islam (het huis van de Islam) en Dar al Harb (het huis
van de oorlog).
Degenen die behoren tot Dar al Islam zijn de Moslims die in constante staat van
oorlog verkeren met Dar al Harb, dat zijn de niet-moslims, tot de tijd dat de
niet-moslims zich bekeren tot de Islam. Met andere woorden; Moslims kunnen nooit
vreed-zaam coëxisteren met niet-moslims.
Het volgende is slecht een voorbeeld van Jihad uit het leven van de profeet
van de Islam: Mohammed.
Na de oorlog van de loopgraaf, waarin Mohammed belegerd werd door Qurayshieten,
geleid door Abu Sofyan, werd beweerd dat de Joodse stam Bani Qurayza toestemde
van binnenuit hulp te verlenen aan de legers van Abu Sofyan. Hoewel de toegezegde
hulp niet tot stand kwam en de belegering uiteindelijk beëindigd werd, vergaf
Mohammed hen niettemin nooit dat zij zijn vijanden wilden helpen.
Moslims keerden zich tegen Bani Qurayza en blokkeerden hun straten vijf en
twintig dagen lang. De Joodse stam verklaarde zich bereid zich over te geven,
hun bezittingen op te geven en uit hun huizen te vertrekken.
Mohammed, echter, was het er niet mee eens en stelde in plaats hiervan, een
zekere Saab Ibn Moaz, een man waarvan bekend was dat hij niet op goede voet stond
met Bani Qurayza, als scheidsrechter aan. Saad besliste dat alle mannen van Bani
Qurayza onthoofd zouden worden, de vrouwen en de kinderen verkocht als slaven,
en dat al hun bezittingen verdeeld moesten worden onder de Moslims.
Greppels werden gegraven in de bazaar van Medina om zich te ontdoen van de
acht of negenhonderd Joodse lichamen die de nacht daarvoor door Mohammed waren
afgeslacht. (Zie Ibn Hisham: de biografie van de profeet; deel 2 pag. 40 en 41).